01 oktober 2026   //     Newsletter 10.2026

Geestelijke gezondheid bij jongeren: behoefte aan een flexibelere aanpak

Tijdens de coronacrisis was geestelijke gezondheid een hot topic. Veel jongeren hadden toen te kampen met psychische problemen. Sindsdien blijven de behoeften op het gebied van geestelijke gezondheid bij jongeren zorgwekkend groot. We hadden een gesprek met prof. Véronique Delvenne, directrice van het Universitair Expertisecentrum voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie van de ULB en directrice van de afdeling Kinder- en Jeugdpsychiatrie van het AZB, en peilden naar haar ervaringen en suggesties om de behandeling van deze jongeren te verbeteren.

Sinds een aantal jaren bestaat er een schrijnende behoefte aan geestelijke gezondheidszorg bij kinderen en jongeren. Wat zijn momenteel uw ervaringen in Brussel?

Overal ter wereld waren de behoeften tijdens de coronacrisis heel acuut. Ze zijn nu iets minder acuut, maar nog steeds niet terug op het niveau van vóór de coronacrisis. Daar zijn allerlei redenen voor. Het is de ene crisis na de andere: er was de coronacrisis, dan de klimaatproblematiek, de politieke crisis… Dat zorgt ervoor dat de heersende onrust nog sterker voelbaar wordt. Daarnaast is er de invloed van sociale media en de informatieglobalisering, die de afgelopen jaren enorm is toegenomen. We weten ook dat het schoolverzuim nu hoger ligt dan vóór de coronacrisis. En in Brussel heeft de socio-economische situatie ook een grote invloed op de geestelijke gezondheid.
 

Welke problemen verdienen volgens u de meeste aandacht?

De hele periode van de kindertijd tot de puberteit speelt natuurlijk een belangrijke rol. Maar er moet vooral aandacht worden besteed aan de allerkleinsten en de periode rond de geboorte. Deze periode is namelijk cruciaal: de ontwikkeling van de hersenen en de omgeving hebben dan een enorme invloed op de ontvankelijkheid voor emoties en angsten… We weten ook dat zeer stressvolle situaties, die nog verergerd worden door bestaansonzekerheid, een duidelijke invloed hebben op moeders en een bewezen impact hebben op de ontwikkeling van baby’s. Hun hele leven lang kunnen ze de gevolgen ondervinden van de stress die ze tijdens deze perinatale periode hebben ervaren. Dat is geen nieuw gegeven, maar het verdient nog meer aandacht in een stad als Brussel.
 

Zijn er bij de jongeren die u begeleidt bepaalde problemen die u meer zorgen baren dan andere?

Wat ons opvalt, is dat tijdens de coronacrisis alle instanties voor kinderbescherming (SAJ/OCJ, SPJ/SDJ,…) – zeg maar de filter die situaties met een hoog risico moet opsporen – volledig ontwricht zijn geraakt. Als gevolg daarvan zien we vandaag nog steeds heel zorgwekkende problematieken die het gevolg zijn van een opeenstapeling van trauma’s, verwaarlozing en mishandeling.

Als je bedenkt dat deze vroege kinderjaren zo bepalend zijn, dan zijn deze kinderen nu tussen de 8 en 10 jaar oud en worden we geconfronteerd met heel complexe problemen.
 

Veel deskundigen benadrukken hoe belangrijk het is om vroeg in te grijpen. Waarom zijn preventie en vroegtijdige opsporing zo belangrijk voor de geestelijke gezondheid van jongeren? Welke maatregelen neemt u om er vroeg bij te zijn?

In het kader van de Leerstoel voor Transitiepsychiatrie van de Koning Boudewijnstichting en dankzij de middelen die zijn vrijgemaakt voor de zes speerpunten van minister Vandenbroucke hebben we een proefproject opgezet met beoordelingsgesprekken voor jongeren die risico lopen op psychiatrische decompensatie. Dat is het Zelig-centrum van het Erasmusziekenhuis, een nieuw soort ambulante dienst voor vroegtijdige opsporing van psychische problemen bij jongeren. We werken samen met eerstelijnspsychologen, jongerenhuizen en schoolpsychologen om jongeren op te sporen die symptomen en tekenen van kwetsbaarheid vertonen, maar bij wie er nog geen duidelijke psychiatrische diagnose is gesteld. We bieden een begeleidingsprogramma van één of twee jaar voor deze jongeren, met onder andere psycho-educatie en cognitieve therapieën.

We hebben ook een universitair certificaat in de transitiepsychiatrie ontwikkeld om de zorg voor jongeren in de transitieleeftijd te verbeteren. Verder hebben we ook Europese subsidies gekregen om de volksgezondheid bij deze jongeren te beoordelen. Daarbij hebben we onder andere focusgroepen met jongeren georganiseerd, waar we heel veel van hebben geleerd.
 

Hoe speelt uw afdeling in op de toenemende behoefte aan kinderpsychiatrie?

We zijn een dynamische afdeling en ik moet zeggen dat we niet al te veel moeite hebben om mensen aan te trekken. De eerder vermelde Transitieleerstoel heeft echt een impuls gegeven aan de ontwikkeling van de zorgverlening aan jongeren in de transitieleeftijd. Die leerstoel heeft vier jaar bestaan. Hij heeft onder andere geleid tot vier scripties en heeft onder jonge kinder- en jeugdpsychiaters voor enige navolging gezorgd.

Daarnaast heb ik het laboratorium voor volwassenenpsychiatrie overgenomen, dat we samen met prof. Pierre Oswald hebben omgedoopt tot het Laboratorium voor Ontwikkelingspsychiatrie, met een hele groep jonge onderzoekers. Dit heeft allemaal zonder twijfel een positieve invloed op onze aantrekkingskracht.
 

Wat zijn volgens u momenteel de grootste uitdagingen bij de begeleiding van kinderen en jongeren met psychische klachten?

Daar komen verschillende aspecten bij kijken. België is een soort institutionele lasagne met 9 ministers die allemaal bevoegdheden hebben op het vlak van gezondheidszorg. Het is dus heel moeilijk om in ons land een echt beleid voor geestelijke gezondheid te voeren. Wat preventie in de vroege kinderjaren betreft, zijn er wel aanbevelingen gedaan, maar door gebrek aan geld zijn die niet uitgevoerd.

Er zijn ook klinische uitdagingen, zoals bij neurologische ontwikkelingsstoornissen, waar er ideologische weerstand blijft bestaan tegen internationale aanbevelingen. Tot slot zijn er ook sectoroverschrijdende uitdagingen. Het laatste obstakel waar ik aan denk, is de aanpak van complexe problematieken bij patiënten die zowel onder de gezondheidszorg vallen als onder de jeugdzorg, of zelfs onder het jeugdrecht.
 

Tot slot: als u één aspect van de zorgtrajecten voor jongeren in Brussel zou kunnen verbeteren, wat zou dat dan zijn?

De zes speerpunten van minister Vandenbroucke en het project van de FRZV dat meer flexibiliteit biedt op het gebied van bedden en meer onderlinge samenwerking creëert tussen ambulante zorg, mobiele teams en ziekenhuizen, zijn veelbelovende initiatieven. Het probleem zit hem in de onderlinge afstemming en de uitvoering, waarvoor aan weerszijden duidelijke wil nodig is. Op dit moment heeft iedereen het te druk en werkt iedereen nog steeds op zijn eilandje. Er zouden weer werkgroepen moeten komen tussen mobiele teams, ambulante diensten en de crisis-, dag- en dag/nachtbedden in het ziekenhuis, om te zorgen voor meer flexibiliteit, precies zoals de FRZV voorstelt.
 

Wat vindt GIBBIS hiervan? We spreken erover met Edward Van Rossen, coördinator van de groep Geestelijke Gezondheidszorg bij GIBBIS.

Wat zijn de dringendste maatregelen om beter in te spelen op de geestelijke gezondheidsbehoeften bij kinderen, tieners en jongvolwassenen?

EVR: Zelfs met beperkte middelen kunnen sommige maatregelen snel belangrijke resultaten opleveren. Denk bijvoorbeeld aan preventie en bewustmaking via sociale media, scholen en jeugdhuizen. Daarnaast vragen we om een coördinatiecentrum op te zetten dat de samenwerking rond de meest complexe casussen kan organiseren, zodat ze de best mogelijke begeleiding krijgen zonder onderbrekingen en overheen alle betrokken sectoren. Het is ook dringend nodig om meer flexibiliteit mogelijk te maken voor de inzet van ziekenhuisteams en zorgvoorzieningen voor jongeren in de transitieleeftijd (16-23 jaar). De regels rond situaties waarin sprake is van meerdere statuten (bijv. opgenomen jongeren die hun studie of werk willen voortzetten) moeten ook worden versoepeld. Tot slot is er ook dringend behoefte aan extra middelen voor intensieve ambulante behandelingen van beperkte duur.

Welke boodschap moeten beleidsmakers krijgen om ervoor te zorgen dat elke jongere snel en continu toegang heeft tot passende zorg?

EVR: Het mentaal welzijn van jongeren verbeteren is een investering die niet alleen bijdraagt aan een betere gezondheid, maar ook aan de versterking van het sociaal weefsel, de economie en de veiligheid. Bovendien levert het aanzienlijke besparingen op, zowel in de gezondheidszorg als in andere sectoren. Samenwerking tussen de verschillende beleidsdomeinen en -niveaus is in dit opzicht van essentieel belang. Laten we dus volop investeren in een ‘Mental health in all policies’-aanpak. Gezien de groeiende behoeften kunnen we ook niet anders dan investeren in meer en beter gediversifieerde plaatsen voor jongeren binnen aangepaste structuren. Jongeren met psychische problemen moeten altijd opvang kunnen vinden, zelfs als hun profiel wat afwijkt van de norm. Tot slot willen we de aandacht vestigen op het toenemende tekort aan kinderpsychiaters.