
Hervorming van niet-planbare zorg in Brussel: iedereen heeft er baat bij!
Tijdens de gesprekken over de hervorming van het ziekenhuislandschap is herhaaldelijk gesproken over niet-planbare zorg. In het kader van haar onderzoek naar dit onderwerp heeft GIBBIS regelmatig overleg met de Brusselse huisartsen. De ziekenhuisfederatie heeft hierover trouwens samen met de Brusselse Wachtdienst een gezamenlijke visie ontwikkeld. Mathilde Coëffé, coördinatrice Algemene Ziekenhuizen bij GIBBIS, en Elise Wérrion, voorzitster van de Brusselse Wachtdienst1, leggen uit wat de belangrijkste uitdagingen zijn bij deze aanstaande hervorming.
Voor een goed begrip van zaken: wat wordt er precies bedoeld met ‘niet-planbare zorg’?
MC: Als we het hebben over niet-planbare zorg, bedoelen we de zorgbehoefte van een patiënt die niet te voorzien was. Dat geldt zowel voor een patiënt met 40 graden koorts als voor iemand met een gescheurd aneurysma. Het is net dat onvoorspelbare aspect dat van belang is en dat het onderscheidt van planbare zorg. Maar ook planbare zorg die niet is ingepland, kan natuurlijk ineens dringend en niet planbaar worden. Daarom is het cruciaal om ervoor te zorgen dat wat gepland kan worden ook binnen een redelijke termijn wordt ingepland.
EW: In de huisartsgeneeskunde gaat het bij niet-planbare zorg vaak om zorg waarvan de patiënt vindt dat hij of zij er niet op kan wachten. We moeten respecteren dat de patiënt zelf bepaalt wat voor hem of haar dringend is. Er moet rekening worden gehouden met zijn of haar persoonlijke perceptie en het is aan ons, als huisartsen, om die perceptie soms bij te sturen als we vinden dat de zorg niet meteen behandeling vereist.
MC: Bij GIBBIS vinden we het ook belangrijk om een systeem op te zetten waarin er naar de ervaringen van de patiënt wordt geluisterd. Al moet het doel wel blijven dat de patiënt niet in de zorgketen voor niet-planbare zorg terechtkomt als de zorg wel gepland kan worden.
Waarom duikt dit concept van niet-planbare zorg nu weer op in de discussies over de hervorming van het ziekenhuislandschap?
MC: Vandaag moet de aanpak van niet-planbare zorg worden herzien en verbeterd om te voorkomen dat de spoedgevallendiensten overbelast raken. De hervorming van het ziekenhuislandschap zal deze behoefte nog versterken, omdat er plannen zijn om bepaalde spoedgevallendiensten te sluiten. Van meet af aan heeft onze federatie veel aandacht besteed aan de koppeling van de hervorming van het ziekenhuislandschap aan die van de niet-planbare zorg om zo rekening te houden met de veranderende behoeften in de resterende diensten. Om de toename van het aantal patiënten op te vangen, is het belangrijk om de zorgcapaciteit uit te breiden en duidelijke triageregels in te voeren.
Daarom is een goede dialoog tussen huisartsen en ziekenhuizen zo belangrijk.
EW: Ja, die dialoog is belangrijk en werkt in beide richtingen. Het idee achter dit traject voor niet-planbare zorg is dat de juiste patiënt op het juiste moment op de juiste plek terechtkomt. Daarvoor is goede communicatie tussen de verschillende zorgverleners onmisbaar. Als we goed geautomatiseerde processen hebben om te bepalen waar de patiënt het beste terecht kan – of dat nu bij de huisarts is of op de dienst spoedgevallen, dan werkt alles efficiënter. Het is belangrijk dat de spoedgevallendienst een patiënt kan vertellen dat zijn of haar probleem eigenlijk meer iets voor de huisarts is.
MC: Inderdaad. Daarom is het belangrijk om een zorgketen voor niet-planbare zorg op te zetten, ook in de huisartsgeneeskunde, die 7 dagen per week, 24 uur per dag duidelijk is en waarbij iedereen zijn of haar rol in de keten kent.
EW: Vooral in Brussel bestaat er bij de bevolking een vrij sterke neiging om meteen naar de spoedgevallendienst te stappen. Samen met de Brusselse Wachtdienst streven we naar maximale zichtbaarheid, zodat we ons kunnen opwerpen als volwaardige speler in de zorgketen voor niet-geplande zorg. Dat moet gebeuren in samenwerking met de spoedgevallendiensten.
Pleit u dan voor huisartsenwachtposten (HWP) in de buurt van of binnen ziekenhuizen op basis van positieve ervaringen met dit soort diensten?
MC: We willen inderdaad dat de HWP’s op een gestructureerde en geïntegreerde manier samenwerken met de spoedgevallendiensten. Zo kunnen we ervoor zorgen dat een patiënt die zich ten onrechte bij de spoedgevallendienst meldt, binnen de HWP wordt opgevangen.
EW: Het is belangrijk om een HWP in of vlak bij een ziekenhuis te hebben, maar laten we wel duidelijk zijn: er zijn ziekenhuizen waar dat goed werkt en ziekenhuizen waar het minder goed werkt. De Brusselse Wachtdienst heeft al HWP’s moeten sluiten omdat zoiets niet werkte. Toch is er een duidelijk voordeel aan de nabijheid van ziekenhuizen als het gaat om samenwerking. In het ideale geval zorgt een HWP vlak bij het ziekenhuis ervoor dat de patiënt een soepeler zorgtraject wordt aangeboden.
Daarnaast is het ook noodzakelijk om rekening te houden met de behoeften van de bevolking en om een HWP op een zelfstandige locatie te kunnen opzetten als we te maken hebben met een grote bevolkingsgroep die wijkzorg nodig heeft. We denken hier vooral aan de zone Brussel-Noord.
MC: Zelfs als de HWP niet op het terrein van een ziekenhuis of in de buurt ligt, pleiten we bij GIBBIS voor een nauwere samenwerking tussen de HWP’s en de spoedgevallendiensten. Na de publicatie van onze gemeenschappelijke visie zal overleg moeten plaatsvinden tussen de verschillende actoren om deze structurele en geïntegreerde samenwerking tot stand te brengen.
Waarom is het in een stad als Brussel belangrijk om een ‘fysieke toegangsdeur’ tot de spoedgevallendienst te behouden?
EW: Brussel is een stedelijk gebied met een hoge sociale kwetsbaarheid en een deel van de bevolking heeft geen toegang tot voorlichting over hoe de zorg georganiseerd is. Daarom vind ik het belangrijk om niet-planbare zorg niet aan banden te leggen door voorafgaande triage op afstand verplicht te maken. Zowel bij de HWP als op de spoedgevallendienst is het belangrijk om de drempel laag te houden, zodat elke patiënt kan worden opgevangen en zo nodig doorverwezen.
MC: Dat is zeker het geval. Het is echt een vangnet dat moet blijven bestaan. Elke patiënt die vindt dat hij of zij naar de spoedgevallen moet, moet dat ook kunnen. We moeten wel af van de gedachte dat als iemand zich aanmeldt bij de spoedgevallendienst, hij of zij automatisch daar ook opgenomen moet worden. Na een fysieke triage moet het mogelijk zijn om de patiënt door te verwijzen naar het juiste zorgniveau.
Welke rol ziet u voor de 1733 in de toekomst?
EW: Momenteel vervult het nummer 1733 in Brussel helemaal geen rol bij het doorverwijzen. We pleiten er al jaren voor dat dit project zou uitgroeien tot een efficiënt doorverwijssysteem. Als dit nummer helemaal ingeburgerd zou raken, zou dat ook helpen om de spoedgevallendiensten te ontlasten, waar mensen vaak uit gewoonte een beroep op doen.
De uitbreiding van deze triage op afstand moet prioriteit krijgen, zonder dat de mogelijkheid van fysieke triage wordt uitgesloten. Het publiek moet hierover duidelijk worden geïnformeerd.
MC: We pleiten ook voor de uitbouw van een efficiënte 1733-dienst, met zorgprofessionals achter de schermen en goed uitgewerkte protocollen. Deze vorm van triage verdient de voorkeur, want elke patiënt die 1733 kan bellen, is er een minder die aan de ingang van de HWP of de spoedgevallendienst staat.
Kunt u naast de implementatie van de 1733 nog één of twee elementen noemen die hebben bijgedragen aan het succes van de hervorming?
EW: Ik zou zeggen: meer automatisering in onze processen, met meer samenwerking tussen de HWP’s en de spoedgevallendiensten. Het zou ideaal zijn als er gemeenschappelijke richtlijnen zouden komen voor alle partijen in Brussel.
MC: Wij staan helemaal achter de vraag van de huisartsen. Er is al een eerste stap gezet met de ontwikkeling van een gemeenschappelijke visie tussen GIBBIS en de Brusselse Wachtdienst. Nu moeten we aan de slag om de grote lijnen op regionaal niveau vast te leggen.
Daarnaast vinden we het heel belangrijk dat deze hervorming van de niet-planbare zorg gepaard gaat met een hervorming van de financiering van de spoedgevallendiensten, zodat we kwaliteitszorg kunnen blijven bieden.
EW: Uiteraard zou een betere financiering ook bijdragen aan een betere samenwerking tussen de HWP’s en de spoedgevallendiensten.
MC: Een laatste aandachtspunt voor ons is dat we ervoor moeten zorgen dat ook specialisten buiten het ziekenhuis deel uitmaken van deze zorgketen, of dat nu is door mee wachtdiensten te lopen in ziekenhuizen of door snel specialistisch advies te verlenen.
Welke concrete voordelen zou deze hervorming moeten opleveren voor de burgers van Brussel?
EW: Altijd goede toegang tot zorg, maar ook een systeem dat overzichtelijker is, zodat burgers weten wat te doen als ze zorg nodig hebben die niet kan wachten.
MC: Als we de overzichtelijkheid voor de patiënt verbeteren, zorgt dat ervoor dat ze een soepel verlopend en kwalitatief hoogstaand zorgtraject aangeboden krijgen dat is afgestemd op hun behoeften.
Voor meer informatie over de gezamenlijke visie en voorstellen van GIBBIS en de Brusselse Wachtdienst, raadpleeg de position paper ‘Niet-planbare zorg in Brussel: gezamenlijke visie van GIBBIS en de Brusselse Wachtdienst voor een betere afstemming tussen spoeddiensten en huisartsgeneeskunde’.
1 De vzw GBBW, oftewel de Brusselse Wachtdienst, is een huisartsenwachtdienst die de 19 gemeenten van het Brussels Gewest bestrijkt.
